ENG | NL

Roderik Povel

“ ’t Zingen zit mij in ’t bloed ”

Roderik Povel

Zanger en componist Roderik Povel groeide op in Heerlen, maar landde uiteindelijk in Maastricht. Hij deed dat allemaal zingend, nu al bijna veertig jaren lang.

R.P. – “Het schrijven van muziek heeft mij altijd geïnteresseerd, maar ik heb ook altijd gezongen. Al als kind deed ik dat heel veel. En kennelijk bijzonder graag. Zoiets moet dan haast wel in je bloed zitten. Ik ben dan ook op een hele natuurlijke manier, als vanzelfsprekend, zang gaan studeren. Of dat wel bij mij paste? Die vraag kwam niet bij me op. Dat ik mijn leven lang zou zingen was van jongs af aan een vanzelfsprekendheid.”

Had je daarbij een voorkeur voor een bepaalde stijl?

portret 04-02-15R.P. – “Ik ben in de jazz muziek opgeleid. Ik begon mijn studie in Den Haag, en ben uiteindelijk in Maastricht afgestudeerd. Maar als kind zong ik ook veel klassiek repertoire. En ik heb daar nog steeds wel een hang naar, naar die klassieke muziek. Ik heb mezelf ook nooit louter een jazz-zanger gevoeld. Ik vind zoveel meer muziek dan jazz interessant om te doen. En dan kom ik dus uit bij het soort projecten als ‘Songs of Doubt’, waar ik dit jaar voor Musica Sacra aan meewerk. Begin augustus kreeg ik daarvan de partituur in de mail. Ik ben het nu aan het bestuderen en bevindt me dus nog min of meer in de fase van het ontdekken. Wat voor geluid de componist precies in zijn hoofd heeft, daar moet ik bijvoorbeeld nog achter komen.”

‘Songs of Doubt’ is geschreven door een jonge Deense componist, Niels Rønsholdt. Kende je hem?

R.P. – “Nee, helemaal niet. Bart van Dongen, de artistiek leider van Intro in situ, leerde zijn muziek kennen in het Deense Aarhus, op het Spor Festival, een festival voor nieuwe muziek en klankkunst dat daar jaarlijks wordt gehouden. Hij was daar erg van onder de indruk en heeft vervolgens contact met hem gezocht. Dat heeft toen geleid tot een compositie-opdracht voor Musica Sacra. En kennelijk had Bart ook een combinatie van Niels en mij in zijn hoofd. Vandaar dat ik bij het project werd betrokken.”

Maar het is vast niet de eerste keer dat je voor Intro werkt?

R.P. – “Inderdaad. Twee jaar geleden deed ik al een project voor Cultura Nova. En eh… tja, ik zit in de poel van de zogenaamde Jonge Honden. Ik mag daar, gelukkig (Roderik lacht), nog net bij horen. Dat is een club van jonge musici en makers die bij Intro in situ gefaciliteerd worden. We krijgen in wezen carte blanche, met als enige verplichting (maar nu spreek ik natuurlijk voor Intro) dat je jezelf opnieuw uitvindt, het liefst elke voorstelling weer. En dat is een ongemeen inspirerend gegeven. Veel van die Jonge Honden studeren nog en het is voor hun een belangrijk onderdeel van het programma geworden. Want het is natuurlijk geweldig dat je als student ook dingen kunt doen die buiten het studierepertoire vallen. Hoewel het geen deel is van het conservatorium heeft Intro in situ in die zin een ongelooflijk belangrijke inhoudelijke functie, die de muziekopleiding completeert en niet meer weg te denken valt. Zelf ben ik inmiddels ook docent op het conservatorium, dus ik zit een beetje met het ene been in de ene wereld en met het andere in de andere. Maar dat is eigenlijk wel een interessante spagaat.”

Kun je wat meer vertellen over het stuk voor Musica Sacra, ‘Songs of Doubt’, voor zover je daar nu al zicht op hebt?

IMG_2154R.P. – “Stemmen staan centraal. Het is een stuk voor solo zang, koor – op Musica Sacra is dat Studium Chorale –  en, ook heel bijzonder, de Ondes Martenot. Dat is een van de vroegste elektronische muziekinstrumenten, met een wat spooky, en ook zangerige klank. Het heeft wel wat van een zingende zaag, net als dat andere vroege elektronische instrument, de Theremin. Maar in tegenstelling tot de Theremin wordt de Ondes Martenot met een toetsenbordje bespeeld. De Franse componist Olivier Messiaen heeft veel voor de Ondes Martenot geschreven. Het is dan ook een instrument met een grote traditie in wat je ‘musica sacra’ zou kunnen noemen.”

Is ‘Songs of Doubt’ één stuk, of is het meer een liederencyclus?

R.P. – “Het zijn tien stukken. De partituur die hier voor me ligt telt 84 pagina’s. Dat is niet niks. Maar ik probeer me niet te laten stressen door de hoeveelheid werk. Ik probeer het vooral planmatig aan te pakken. Dus ik ben begonnen met de partituur door te spitten om te kijken wat de compositie technisch van me vergt. En vervolgens oefen ik eerst in onderdelen. Dat is mijn methode. Wat vraagt de tekst van je? Hoe is de articulatie? Wat vraagt het melodisch materiaal van je techniek en van je timbre? Wat is er ritmisch aan de hand? Wat is mijn harmonische functie? Wat zijn de theatrale aspecten, wat is de dramatiek? Dat zijn dingen die ik eerst geïsoleerd bestudeer, om ze vervolgens als het ware tijdens de repetities te kunnen monteren.

Maar het zijn nog maar de noten. Ik weet natuurlijk niet wat Niels nog meer up his sleeve heeft. Tijdens de repetities zal nog moeten blijken of er bijvoorbeeld ook ruimte voor improvisatie is.”

Uit je eigen composities, zoals je cyclus ‘When the caged birds sing’, blijkt het grote belang dat jij aan teksten hecht. Hoe zit het met de teksten van ‘Songs of Doubt’?

R.P. – “Niels heeft de teksten zelf geschreven. In het Engels. Het zijn eenvoudige teksten. Waarmee ik bedoel dat ze niet pretentieus dichterlijk zijn of zo. En heel opmerkelijk: er gebeurt een hoop met achteruit zingen. Ik heb nog geen duidelijk idee hoe dat gaat uitpakken, maar het is wel spannend. Hij heeft dat als een rode lijn door het hele stuk geschreven en het ziet er niet uit alsof het een flauw trucje wordt of zo… dus… Ik ben benieuwd. Verder is hij behoorlijk spaarzaam met uitleg. Ik denk dat dat opzet is en dat hij om te beginnen de interpretatie aan ons wil overlaten. Dus ik kan op dit moment niet veel zeggen over waar het inhoudelijk over gaat. Dat zou je aan de componist moeten vragen, want anders ga ik uit mijn nek lullen. Ik geloof wel dat het teksten zijn die vooral op klank zijn geschreven, waarbij veel woorden herhaald worden en die met opzet rustig zijn gehouden ten faveure van de muziek. Die is heel sferisch. Als je daar dan ook nog eens een moeilijke tekst op plakt, dan loop je het risico dat het allemaal niet meer te degusteren valt. Maar als gezegd, ik ben heel benieuwd hoe het gaat uitpakken.”

Hoe is jouw persoonlijke relatie met ‘musica sacra’, met ‘religieuze muziek’?

R.P. – “Ik heb een sterk gevoel voor spiritualiteit, voor religiositeit. Maar dat is puur een emotionele kwestie. Dat heeft niks met Allah of met God of met wie dan ook te maken. Ik kan er natuurlijk niet aan ontkomen dat ik een kind ben van onze christelijke maatschappij, maar ik ben zelf volstrekt geen religieus mens. In tegenstelling tot het zingen zit dat me niet in het bloed. Dus, ja, ik kan daar wel hele stoute dingen over zeggen. In zijn algemeenheid kun je je afvragen hoe religieus alle kwajongens zijn geweest die al die zogenaamde religieuze muziek in de geschiedenis hebben geschreven. Misschien moet je juist wel niet heilig zijn, zelf, om  te weten wat écht heilige muziek is!”

In het ‘Songs of Doubt’ project is jouw rol die van solo zanger. Maar naast uitvoerder van andermans werk componeer je zelf ook. Hoe verhouden die twee rollen zich, bijvoorbeeld in je ‘When the caged birds sing’?

R.P. – “Ja, dat was en is nog steeds een belangrijke zoektocht voor mij. Vragen als: wat doe ik in hemelsnaam met mijn klassiekerige achtergrond en mijn opleiding als jazz-zanger? Wat doe ik graag als muzikaal wezen, maar ook als muziek professional? Ik hou ontzettend van mooie teksten, maar daarvoor kan ik bij de gemiddelde jazz standaard niet terecht. Als je een jazz CD zou willen maken is het hondsmoeilijk om een repertoire bij elkaar te sprokkelen met goeie teksten, die mensen niet al vijf miljoen keer vóór jou hebben gedaan, fantastisch mooi en met een heleboel budget. Dus wat dat betreft: bezint eer gij begint! Je moet dat wel héél goed doen wil je nog een klein beetje uit de CD bak steken.
Van dat idee heb ik daarom afstand genomen, net als van het idee dat ik muziek voor een groot publiek moet maken. Ik ben bovendien weliswaar in zekere zin een man van het podium, maar… it doesn’t come natural … zal ik maar zeggen. Het podium is de engste plek die ik in mijn leven opzoek, noodgedwongen.
Maar goed.

070f9ed670Op zoek naar mooie teksten ben ik de tijd van de pre-jazz ingedoken. Daar stuitte ik op de gedichten van de Afro-Amerikaanse dichter Paul Laurence Dunbar, geboren in 1872, die later veel invloed had op de “Harlem Renaissance”, een Afro-Amerikaanse literaire stroming uit de jaren 1920 en 1930. En dat was echt een schot in de roos. Dat materiaal swingt het boek uit. Daar ben ik in gaan lezen en ik heb toen – met grote, grote, grote moeite overigens – een aantal stukken uitgezocht, waar er tien van op de CD zijn gekomen. Het was erg moeilijk om die selectie te maken omdat alles wat die man heeft geschreven al van zichzelf een ongelooflijk grote muzikaliteit heeft. Bij een groot deel van het materiaal was het heiligschennis om daar ook nog eens een laagje muziek op of onder te leggen. Bij de stukken die ik wel gebruikte ben ik melodisch en ritmisch uitgegaan van de manier waarop je die teksten zou voordragen. Daar vloeiden toen vrij vlot melodieën uit, daar vloeide de juiste ritmiek uit en daar vloeide vervolgens ook – wat mij betreft – het juiste harmonische materiaal, het geluidsdecor uit voort. Heel natuurlijk allemaal. En dat is kennelijk waar ik naar zoek.”

“Ik ben dus een groot taalliefhebber. Ik draag bijvoorbeeld ook gedichten van Ingrid Jonker voor, in het Afrikaans. Het is fantastisch om daar helemaal in te duiken en dat ook zo goed mogelijk te laten klinken. En ik vind het geweldig om dat met elke taal die ik voor mijn neus krijg te doen. Sommige talen zijn wat opener, sommige talen wat nasaler. Ik vind ook mijn eigen taal een prachtige taal. Je kunt elke taal mooi laten klinken. Het is toch vooral een cultureel ding dat we sommige talen in Nederland sexy vinden of minder sexy. Ik ben net terug uit China, waar ik was in het kader van een uitwisseling tussen het Maastrichtse conservatorium en de Chinese stad Chengdu. En die Chinese taal, die vond ik weliswaar erg interessant, maar niet wat ik met mijn Westerse oren mooi zou noemen; zoals je als Nederlander kunt vallen voor Italiaans, of Braziliaans of zoiets. Daarom ga ik binnenkort een cursus Chinees doen. Ik hoop dat ik zo achter de schoonheid van die taal kan komen. Want die moet er zijn. Dat ik achter de ritmiek van die taal kom, die zo ver van mij afstaat. Want dat frustreert me. En dat is precies de reden dat ik absoluut wil weten wat ik ermee kan.”

Harold Schellinx