ENG | NL

Theo Ploeg

Theo Ploeg is schrijver, onderzoeker, jounalist en nog veel meer. Een liefhebber van pop cultuur en nieuwe media. Hij geeft les aan de 'Maastricht Academy of Media Design & Technology','iArts' en het 'Institute of Network Cultures in Amsterdam'. Voor meer info over Theo en zijn schrijfsels:

www.theoploeg.net

Theo Ploeg

Column

Theo Ploeg

Op deze pagina vindt u een overzicht van de columns die Theo Ploeg gedurende de afgelopen maanden schreef voor ons maandelijkse programmaboekje.

June

(on)echte Beyoncé
Arme Beyoncé Giselle Knowles-Carter. Brengt ze een muzikaal gewaagd album uit, wordt ze door alternatieve muziekliefhebbers de grond in gestampt.

De lancering van ‘Lemonade’ op 23 april bleef niet onopgemerkt. Niet alleen de traditionele media konden geen genoeg krijgen van de perikelen rond het zesde studiealbum van Beyoncé, ook alternatieve media prezen de Amerikaanse zangeres om haar eigenzinnigheid. Allereerst ging het om haar tweede visuele album dat in première ging bij de Amerikaanse zender HBO.

De muziek verscheen daarna exclusief op Tidal, het streamingplatform van Jay Z. En die speelt weer een belangrijke rol als inspiratiebron voor ‘Lemonade’. Het thema van het album is immers de donkere vrouw die het lastig heeft in een witte, door mannen gedomineerde wereld. In plaats van hun steun en toeverlaat is de donkere man niet bepaald een rots in de branding. Beyoncé kan het weten. In 2008 trouwde ze met Jay Z die nog steeds niet met de tengels van de andere vrouwen af kan blijven. De recente dreigementen van Beyoncé om van ‘m te scheiden ten spijt.

En dan de muzikanten met wie ze op ‘Lemonade’ samenwerkt: onder andere Marcus Miller, Jack White, James Blake en Kendrick Lamar doen mee. En toch klinkt het album ontegenzeglijk als Beyoncé.

Terechte aandacht dus?

Daar denken alternatieve muziekliefhebbers anders over. Althans, die in mijn Facebook-tijdlijn (en dat zijn er nogal wat). Volgens hen heeft Beyoncé nog nooit een fatsoenlijk nummer opgenomen, klinkt ‘Lemonade’ alleen maar goed door haar gastmuzikanten, is haar aandacht voor de goede zaak gespeeld en ontneemt ze in de alternatieve media een plek voor alternatieve bands die wél goed en oprecht zijn.

Tja, daarmee maakt het Amerikaanse muziek-webzine Pitchfork eenvoudig korte metten: “But who cares what’s ‘real’ when the music delivers a truth you can use.”

En zo is het maar net.

Mei

THE POP KIDS

De beste pop wordt gemaakt door (bijna) zestigers. Afgelopen maand kwam ‘Super’ uit, het dertiende album van Pet Shop Boys. Eerlijk is eerlijk: het in 2013 verschenen ‘Electric’ stelde wat teleur. Had het Britse duo het maken van de beste popliedjes definitief overgedragen aan New Order? Het leek er wel op.

Tot single ‘The Pop Kids’.

‘We are the pop kids because we love the pop hits’ zingen Neil Tennant (1954) en Chris Lowe (1959). En je gelooft ze. Je wilt dat het liedje nooit stopt. Op ‘Super’ staan meer geweldige popliedjes. Suikerzoet zijn ze. Beschamend commercieel ook. Maar dat mag. Pet Shop Boys komen immers met veel weg. Single ‘The Pop Kids’ is nóg beter. Pop van een andere orde. Pop zoals alleen Pet Shop Boys kan maken.

Wat het nummer zo godvergeten goed maakt?

De manier waarop het duo subversieve nostalgie en het ultieme ‘nu’ in één popliedje weten te combineren. Allereerst klinkt ’The Pop Hits’ als een klok. De productie is strak. Het glazuur spat van je tanden af, zo mierzoet klinkt het nummer. Dat is niet bezwaarlijk want er is die tweede laag. Op een zeurderige, haast spottende toon bezingen Tennant en Lowe het begin van de jaren negentig. De gouden tijden van rave, van elektronische dansmuziek, van pop. De tijd ook dat goede pop nog subversief was en de clubs in Londen nog de moeite waard waren.

Nostalgisch? Zeker, maar je proeft dat typische Pet Shops Boys-cynisme in elke zin die wordt gezongen. Het is de combinatie – suikerzoete pop volgens de regels én subversieve teksten – die ‘The Pop Kids’ zo’n geweldig popliedje maakt. Muziek met een lach en een traan. Dat maakt dat Pet Shop Boys eigenlijk uitstekend zouden passen bij Intro. Ze zouden het zelf vast ook geweldig vinden: optreden op een plek waar de kwaliteit van  een aandacht voor muziek centraal staan. Misschien kan Intro ze boeken als The Pop Kids?

April

Underground

De VPRO is de weg een beetje kwijt. 3voor12, het popplatform van de ooit zo vooruitstrevende omroep, bombardeerde maart tot ‘maand van de Underground’. Opper-redacteur Atze de Vrieze verontschuldigt zich er in het aankondigende artikel welhaast voor. Underground bestaat eigenlijk niet meer, schrijft hij. Hij voert Blaudzun, artistiek directeur Vincent Koreman van het Tilburgse Incubate-festival en popsocioloog Gert Keuen op om zijn woorden kracht bij te zetten.

Eind vorig jaar weigerde 3voor12 nog om het derde titelloze album van Rooie Waas te delen via de Luisterpaal, een soort etalage voor muziek die door de VPRO is goedgekeurd. Te extreem, luidde het oordeel. De Vrieze stak zijn afkeer voor de muziek niet onder stoelen of banken. Onterecht, zo heeft het Amsterdamse trio inmiddels in Intro bewezen. Vroeger zou de VPRO ermee zijn weggelopen. Nu niet meer. 3voor12 is mainstream geworden, besteedt aandacht aan de grote sterren en struint nauwelijks nog langs de rafelranden van popcultuur.

De Vrieze heeft een punt: met het volwassen worden van pop zijn mainstream en underground steeds meer in elkaar overgevloeid. Underground als tegencultuur heeft aan waarde verloren. Dat betekent echter niet dat alle popmuziek dan maar op één hoop gegooid moet worden. Bij 3voor12 staan verkoop- en luistercijfers tegenwoordig voorop: een band die veel op de radio te horen is of veel wordt beluisterd via Spotify, verdient aandacht. Daarmee doet 3voor12 de Nederlandse popcultuur zwaar te kort. Sinds een jaar of vijf bloeit het Nederlandse alternatieve circuit. Spannende bandjes, kleine platenlabels en kleine clubs en zalen vormen een netwerk van mensen die betekenis creëren belangrijker vinden dan cijfertjes.

Kun je underground noemen. Of new dutch indie, zoals ik deed in het Vlaamse tijdschrift Gonzo (circus). Feit blijft dat 3voor12 het gevoel voor de spannende regionen van de Nederlandse popcultuur definitief kwijt is. Een maandje hip doen ten spijt.

De VPRO is de weg een beetje kwijt. 3voor12, het popplatform van de ooit zo vooruitstrevende omroep, bombardeerde maart tot ‘maand van de Underground’. Opper-redacteur Atze de Vrieze verontschuldigt zich er in het aankondigende artikel welhaast voor. Underground bestaat eigenlijk niet meer, schrijft hij. Hij voert Blaudzun, artistiek directeur Vincent Koreman van het Tilburgse Incubate-festival en popsocioloog Gert Keuen op om zijn woorden kracht bij te zetten.

Eind vorig jaar weigerde 3voor12 nog om het derde titelloze album van Rooie Waas te delen via de Luisterpaal, een soort etalage voor muziek die door de VPRO is goedgekeurd. Te extreem, luidde het oordeel. De Vrieze stak zijn afkeer voor de muziek niet onder stoelen of banken. Onterecht, zo heeft het Amsterdamse trio inmiddels in Intro bewezen. Vroeger zou de VPRO ermee zijn weggelopen. Nu niet meer. 3voor12 is mainstream geworden, besteedt aandacht aan de grote sterren en struint nauwelijks nog langs de rafelranden van popcultuur.

De Vrieze heeft een punt: met het volwassen worden van pop zijn mainstream en underground steeds meer in elkaar overgevloeid. Underground als tegencultuur heeft aan waarde verloren. Dat betekent echter niet dat alle popmuziek dan maar op één hoop gegooid moet worden. Bij 3voor12 staan verkoop- en luistercijfers tegenwoordig voorop: een band die veel op de radio te horen is of veel wordt beluisterd via Spotify, verdient aandacht. Daarmee doet 3voor12 de Nederlandse popcultuur zwaar te kort. Sinds een jaar of vijf bloeit het Nederlandse alternatieve circuit. Spannende bandjes, kleine platenlabels en kleine clubs en zalen vormen een netwerk van mensen die betekenis creëren belangrijker vinden dan cijfertjes.

Kun je underground noemen. Of new dutch indie, zoals ik deed in het Vlaamse tijdschrift Gonzo (circus). Feit blijft dat 3voor12 het gevoel voor de spannende regionen van de Nederlandse popcultuur definitief kwijt is. Een maandje hip doen ten spijt.

Theo Ploeg

Maart

De kunstwereld draait enkel nog om geld en celebrities, beweerde de bekende Britse journalist Rober Hughes in de twaalf jaar geleden verschenen documentairereeks ‘The New Shock of the New’, een vervolg op zijn klassieke kunstdocu ‘The Shock of the New”Art and the Centrury of Change’ die verscheen in 1980. Zijn beschouwing sloeg in als een bom.  Hughes overleed een aantal jaar geleden. De kunstwereld is nog steeds de kunstwereld. Een wereld van geld en nog meer geld. Deze maand is het een komen en gaan van privéjets. De passagiers zijn de één procent superrijken van deze wereld die hopen hun slag te slaan op kunstbeurs TEFAF. Onlangs nog trok de organisatie een bedrag van zeven cijfers uit om twee kunstbeurzen in New York uit te kopen. Genoeg reden om cynisch te worden en het glas op Hughes te heffen. Er is echter ook nog die andere kant van de kunstwereld. eentje waarin kunstenaars en kunstliefhebbers hun passie voor de schoonheid van kunst en het maken ervan delen. Een van die kunstenaars is Piet van der Linden die tijdens TEFAF exposeert in Intro in Situ. Prachtig ruimtelijk werk maakt hij dat met een hippe term Generative Art genoemd wordt; de lentebloesem die hij kunstmatig in leven houdt, verandert door de injectie van kleur continu. Door gebruikt te maken van toeval in de keuze voor de gebruikte kleuren in elk werk ontstaat een interessant kleuren palet zonder dat Van der Linden daar nog invloed op heeft. Componist Jesse Passenier maakte op basis daarvan een muziekstuk.
Kunst met een grote K.
Kunst die niet vies is van het experiment en de willekeur. Kom daar maar eens om bij TEFAF.

Theo Ploeg

Februari

GEREGISSEERD EINDE

En daar was plots dat push-bericht: David Bowie overleden. Slechte grap, dacht ik net als iedereen. Al snel doorzag ik het meesterplan dat de muzikant anderhalf jaar geleden in gang zette. Begreep ik de zwartgallige teksten op zijn nieuwe album ‘Black Star’. Ik schreef er gelukkig geen recensie over. Die donkere teneur had ik omschreven als maatschappijkritiek. Bowie over de gruwelen van het antropoceen, het tijdperk waarin de mens de aarde van onuitwisbare littekens voorziet. Die littekens waarover Bowie zong gingen echter niet over de aarde, maar over zijn eigen lichaam. En over de kanker die, net als de mensheid, ongecontroleerd groeit en om zich heen grijpt. Het interpreteren van de teksten van Bowie is hogere wiskunde. Over het nummer ‘Blackout’ van het album ‘Heroes’ bestaan drie verschillende lezingen. Kunnen allemaal kloppen. Welke de juiste is? We kunnen het Bowie niet meer vragen. Niet dat hij antwoord had gegeven. Dat deed ie nooit. Bowie was een geval apart. Geliefd, bewonderd en aanbeden door iedereen. De popliefhebbers zongen zijn nummers mee, de popconnaisseurs roemden hem om zijn durf tot experiment. Bowie was de popwereld altijd een stap voor, wist wat er speelde in de donkere krochten van muziekcultuur. In de avant-garde, geïmproviseerde muziek, elektronische tegencultuur. Bowie verwerkte de invloeden tot popliedjes die door de massa werden omarmd. De Berlijn-triologie ‘Low’, ‘Heroes’ en ‘Lodger’ wordt algemeen gezien als het hoogtepunt van zijn werk. Toch wil ik hier een lans breken voor ‘Dark Star’. Ja, het album is pas net verschenen én Bowie net dood. Toch: de manier waarop Bowie, vechtend tegen de kanker, op z’n 69ste voor de popmuziek uitloopt, is onnavolgbaar. ‘Dark Star’ is een album waar pop en avant-garde naadloos in elkaar overvloeien. Een album om te koesteren. Niet in de laatste plaats omdat er nooit meer een David Bowie-album komt.

Theo Ploeg

Januari

HET NEOSJAMANISME VAN GLICE

Het beste album van het afgelopen jaar? Verscheen pas begin december. ‘LIX’ van Glice verklankt de tijd waarin we leven perfect. Probeert geen aansluiting te vinden bij recente gebeurtenissen, maar laat horen hoe de wereld in de nabij toekomst klinkt. Of eigenlijk, voor wie het horen wil, nu al klinkt. Glice is Ruben Braeken, – één van de kopstukken van de Amsterdamse indiescene die speelt in onder andere Apneu Katadreuffe – , en Melle Kromhout, de toekomstige noise     -professor die momenteel op het onderwerp ‘noise’ afstudeert aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is geen onbekende in Maastricht. Tijdens zijn bezoek aan de stad hingen de studenten iArts aan zijn lippen. Het duo verenigt meerdere werelden: die van praktijk en theorie, die van pop en noise, van hoge en lage cultuur. Niet dat je dat terughoort. Glice doet namelijk niet aan hokjes. Het is alles in één. De afzonderlijke delen hoor je er niet meer in terug. En die waren er waarschijnlijk ook niet toen Braeken en Kromhout het album opnamen. Moeten spannende sessies zijn geweest. De muziek van Glice sluit goed aan bij accelerationisme, een theorie waarbij het idee van een steeds versnellend kapitalisme centraal staat. Enkel het omarmen ervan biedt soelaas. De nieuwsgierigheid en spanning te laten winnen van de angst. Dat verklankt Glice: noise, ritmes, flarden zang, beats en vreemde geluiden trekken voorbij als in een neo-sjamanistisch ritueel. Glice lijkt er de essentie van noise te willen oproepen: de oerkracht om de status-quo van het geheel te doorbreken. Zelf noemt het duo hun muziek ‘Cosmic Noise’. Ik prefereer ‘New Weird Ambient’. Ach,  termen doen er niet toe. Glice moet je, zoals ieder goed ritueel ondergaan zonder na te denken.

‘Lix’ is te beluisteren op Bandcamp: glice.bandcamp.com/album/lix

Theo Ploeg