Recensie Nocturnal
Nieuwe compositie van Tsoupaki intrigeert
Gehoord: ‘Nocturnal’ door Ensemble MAE
Waar: Theater aan het Vrijthof in Maastricht, 28 november 2010
door Wim Hekking
Intro in situ, het onvolprezen Maastrichtse podium voor moderne muziek, presenteerde zondag twee opvallende nieuwe composities. De Britse elektronica-muzikant en multimediakunstenaar die zichzelf Scanner noemt, schreef een werk met de titel Nocturnal, waarin de luisteraar getuige is van een reis door de nacht. Middels een combinatie van elektronische klanken en zes musici van MAE (voorheen Maarten Altena Ensemble) wordt een klinkende sensatie van de nacht gegenereerd. Robin Rimbaud, zoals de componist feitelijk heet, slaagt er in zijn compositie in een sfeer van nacht te creëren, maar dan eerder een nacht in een metropool dan die op het platteland. We hoorden combinaties van klanken, die resulteerden in vaak vrij luide klankgolven in lange, doorgaande lijnen, met rudimentaire melodische motiefjes, en soms een zeer eenvoudige ‘beat’ of een pizzicato basloopje erin. De duistere sfeer en de aparte klankcombinaties wisten de aandacht zondag in Maastricht een tijd lang vast te houden, maar de lengte van een dik half uur was toch net iets te lang om tot het einde te blijven boeien.
Tijdens de uitvoering werd een series pasfoto’s (bij elkaar gebracht door fotoverzamelaar Erik Kessels) van een en dezelfde vrouw geprojecteerd, die we geleidelijk ouder zien worden, tot de nacht intreedt. Hoewel in muziek en foto’s hetzelfde thema van melancholie en verval behandeld wordt, bleven beeld en muziek twee los van elkaar staande media.
Het tweede werk, Medea, een nieuwe compositie van de Grieks-Nederlandse Calliope Tsoupaki (1963), is een werk geïnspireerd door Pasolini’s gelijknamige film, en dan vooral door de hoofdrol die Maria Callas daarin speelt. In de programmatoelichting wordt gewezen op verbanden tussen de mythologische Medea en Callas (beiden kenden ongelukkige liefdes, en Callas’ interpretatie van Cherubini’s Media is legendarisch), maar ook de gedeelde Griekse herkomst van Tsoupaki, Callas en Medea-mythe zal niet vreemd zijn geweest aan het ontstaan van dit intrigerende werk. Die Griekse erfenis is alomtegenwoordig in de muziek: melodietjes doen denken aan Griekse volksmuziek, er zijn heftige erupties van viool en blokfluit boven lang aangehouden tonen, die de hysterie van het Medeapersonage en de dramatische kracht van Callas in herinnering brengen, er zijn felle klappen in het slagwerk, met hoge, lang en helden doorklinkende klanken van bekkentjes, en het totaal maakt een granieten, archaïsche indruk (een totaalindruk die doet denken aan Stravinski’s Oedipus Rex). Het werk, met zijn vele glissandi en verrassende combinaties tussen de acht instrumenten (zoals blokfluiten, elektrische gitaar, inventief gebruikt slagwerk en contrabas) boeide van begin tot einde. Het MAE, onder leiding van Bas Wiegers, voerde de werken met veel kunde en toewijding uit.




